Ontwikkeling gewasopbrengsten op derogatiebedrijven

In dit artikel gaan we in op de ontwikkeling van de drogestofopbrengsten van gras- en maïsland op derogatiebedrijven. Daarnaast besteden we aandacht aan regionale verschillen. De gewasopbrengsten van gras en mais waren in de melkveehouderij in 2014 onverwacht hoog. In 2015 waren de gewasopbrengsten opnieuw hoog zoals de jaarlijkse monitoring van de derogatiebedrijven laat zien. De rapportage van de monitoring is 6 juli jongstleden door de staatsecretaris van Economische Zaken naar de Tweede Kamer verstuurd. In dit rapport beschrijven RIVM en Wageningen Economic Research de trends in waterkwaliteit en de bijbehorende landbouwpraktijk op derogatiebedrijven.

Hoge opbrengst gras en snijmais, regionale verschillen
In 2014 werden hoge opbrengsten van zowel gras als snijmais gerealiseerd op de bedrijven die opgenomen zijn in het derogatiemeetnet. Ook in 2015 bleken de opbrengsten bovengemiddeld (figuur 1) op deze bedrijven met een gemiddelde geschatte drogestofopbrengst aan snijmais van 17.700 kg per hectare. De berekende graslandopbrengst in droge stof per hectare was met gemiddeld 10.500 kg per hectare eveneens hoger dan gemiddeld over de periode 2006-2015 (figuur 1).

De gerealiseerde drogestofopbrengsten voor mais verschillen per regio. Zo lag de opbrengst in de Kleiregio, de Zandregio met maximaal 230 kg N derogatie (Zand 230: Zand Midden en Zuid) en de Lössregio iets boven het landelijk gemiddelde, maar lagen ze in Zand 250 (Zand Noord) en in de Veenregio onder het landelijke gemiddelde. De hoogste gemiddelde drogestofopbrengsten van 19.400 kg per hectare voor mais zijn gerealiseerd in de Lössregio. Deze opbrengsten zijn 14% hoger dan die op Veen en Zand 250 (figuur 2).

Ook de drogestofopbrengsten van gras verschillen per regio. De gerealiseerde grasopbrengsten in Zand 230, de Veenregio en de Kleiregio liggen boven het landelijk gemiddelde, die in Zand 250 en de Löss-regio liggen er onder. De hoogste grasopbrengst is gerealiseerd in de Kleiregio en ligt met 10.900 kg per hectare 20% boven de laagste gerealiseerde grasopbrengst in de Lössregio die gemiddeld 9.100 kg per hectare bedroeg (figuur 3).

Deze regionale verschillen in de drogestofopbrengsten van mais en gras zouden ook de verklaring kunnen zijn voor het feit dat in de Lössregio een groter deel van de melkveebedrijven niet deelneemt aan de derogatie. De verplichting om bij derogatie minimaal 80% grasland aan te houden is voor melkveebedrijven in de Lössregio economisch minder aantrekkelijk dan in andere regio’s aangezien de graslandopbrengst relatief laag is terwijl de opbrengst van snijmais juist relatief hoog is.


Figuur 1: Gemiddelde drogestofopbrengst op grasland en snijmaïs op derogatiebedrijven in de periode 2006-2015.

Figuur 2: De gewasopbrengst van mais (kg droge stof per hectare) op derogatiebedrijven in 2015 per grondsoortregio.

Figuur 3: De gewasopbrengst van grasland (kg droge stof per hectare) op derogatiebedrijven in 2015 per grondsoortregio.

Referentie:
Hooijboer, A.E.J. ; Koeijer, T. J. de; Prins, H. ; Vrijhoef, A. ; Boumans, L.J.M. ; Daatselaar, C.H.G. (2017) Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2015;  Bilthoven : Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, (RIVM rapport 2017-0038) - 115 p.


Tanja de Koeijer, Henri Prins (Wageningen Economic Research)       

LMM e-nieuws, oktober 2017

 



 

Deel dit artikel: