De representativiteit van het LMM in de Lössregio

Dit artikel is onderdeel (deel 6) van de artikelenserie over de Lössregio en gaat in op de representativiteit van het LMM-Basismeetnet in deze regio.

Introductie
In dit artikel gaan we na in hoeverre de steekproef van bedrijven uit het Bedrijveninformatienet van Wageningen Economic Research die in het LMM gebruikt worden, een goede afspiegeling vormt van de LMM-onderzoekspopulatie. Concreet vergelijken we gemiddelde kenmerken van melkvee- en akkerbouwbedrijven uit deze populatie volgens Landbouwtelling 2015, met steekproefschattingen op basis van bedrijven uit Informatienet-jaar 2015.

Voor deze analyse kunnen alleen kenmerken worden gebruikt die voor zowel de bedrijven in de Landbouwtelling als die in het Informatienet bekend zijn. We zouden heel graag nagaan of de gemiddelde overschotten aan nutriënten op de bodem overeenkomen, maar deze kenmerken kunnen op basis van de Landbouwtelling niet worden berekend. De analyse is dan ook beperkt tot 10 kenmerken van de bedrijfsopzet bestaande uit de bedrijfsomvang, bouwplanvariabelen en de eventuele veebezetting.

Toelichting bij het interpreteren van de resultaten
In tabel 1 staan per kenmerk de gemiddeldes van de melkveebedrijven in de Landbouwtelling en de gebruikte bedrijven uit Informatienet weergegeven evenals het relatieve verschil daartussen. Om na te gaan op welke kenmerken de steekproef systematisch verschilt, is bij elke schatting ook de relatieve standaardfout bepaald. Uit het quotiënt van het relatieve verschil en de relatieve standaardfout kan een indruk van de representativiteit ten aanzien van de weergegeven kenmerken worden verkregen. Een vuistregel is dat een verschil in de orde van grootte van de relatieve standaardfout niet meteen duidt op systematische verschillen tussen de steekproef en de populatie. Als het verschil meer dan tweemaal de relatieve standaardfout is, wordt het minder waarschijnlijk dat het verschil is toe te schrijven aan steekproeftoeval. Voor kenmerken waar het verschil groter is dan 3 is toeval zeer onwaarschijnlijk.

Resultaten melkveebedrijven
Volgens de landbouwtelling van 2015 had het gemiddelde melkveebedrijf binnen de LMM-steekproefpopulatie in het lössgebied 50,6 ha cultuurgrond in gebruik (tabel 1). Op basis van het Informatienet was dit 51,5 ha. Het verschil van 2% is klein, zeker als dit wordt afgezet tegen de relatieve standaardfout van 13%. Het quotiënt bedraagt -0,1. Dit betekent dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de gebruikte bedrijven uit het Informatienet ten aanzien van het areaal cultuurgrond niet representatief zouden zijn. Het enige kenmerk waar het quotiënt een groot verschil laat zien, is het aandeel snijmais in het bouwplan. Op de andere kenmerken blijkt de representativiteit goed te zijn.

Tabel 1: Geschatte gemiddeldes per onderscheiden kenmerk voor de melkveebedrijven binnen de onderzoekspopulatie in het lössgebied, in 2015 in de Landbouwtelling en in het LMM en de relatieve afwijking daartussen, de relatieve standaardfout en het quotiënt van de relatieve afwijking en de standaardfout.

Resultaten akkerbouwbedrijven
Voor de akkerbouwbedrijven in het lössgebied wordt het gemiddelde areaal cultuurgrond met 15% overschat. Het bijbehorende quotiënt bedraagt -1,1 zodat niet mag worden gesteld dat de steekproef op dit punt niet representatief is. De cirkeldiagrammen 1a en 1b laten zien in hoeverre de berekende (figuur 1a) en geschatte (figuur 1b) gewaspercentages overeenkomen. Het quotiënt bij deze percentages wordt grafisch weergegeven in figuur 2.

 

Figuren 1a (boven) en 1b (onder) : gemiddelde bouwplan van de akkerbouwbedrijven binnen de onderzoekspopulatie in het lössgebied in 2015. Figuur 1a is gebaseerd op de Landbouwtelling, figuur 1b betreft de geschatte waarden.

Figuur 2: grafische weergave van het quotiënt van het relatieve verschil (tussen berekende en geschatte gemiddeldes) en de relatieve standaardfout voor akkerbouw. Voor kenmerken met een waarde in het gekleurde gebied is de steekproef waarschijnlijk niet representatief.

Bij het aandeel vollegrondsgroentengewassen lijkt de steekproef niet representatief (quotiënt=5,7). Echter, daarbij moet worden bedacht dat deze gewassen in het lössgebied slechts 0,8% van het areaal beslaan. Het tweede kenmerk waarop de steekproef schatting duidelijk afwijkt is het aandeel grasland (quotiënt=2,1). Dit aandeel is met 3,5% duidelijk lager dan het gemiddelde binnen de steekproefpopulatie waar 10% van het areaal uit (tijdelijk) grasland bestaat. Op de andere kenmerken blijkt de representativiteit vrij goed te zijn.

 

Ton van Leeuwen (Wageningen Economic Research)                    

LMM e-nieuws, oktober 2017

 

 

Deel dit artikel: